In de nacht van zaterdag 31 januari op zondag 1 februari 1953 viel een zware noordwesterstorm samen met springtij. Het zeewater in de zuidelijke Noordzee werd zo hoog opgestuwd dat in Zeeland, op de Zuid-Hollandse eilanden en in West-Brabant op tientallen plaatsen de dijken bezweken. Daarbij kwamen in Nederland 1.836 mensen om, verdronken tienduizenden dieren en moesten zo'n 72.000 mensen hun huis verlaten. De ramp werd de directe aanleiding voor de Deltawerken.
Middernacht in de weerkamer
De storm kwam niet onverwacht. Meteorologen van het KNMI in De Bilt volgden hem vanaf vrijdagavond, toen zich ten zuiden van IJsland een stormveld vormde. Zaterdag trok de depressie langs Schotland naar het zuiden, en boven de noordelijke Noordzee draaide de wind naar noordnoordwest. Er ontstond een stormveld van zo'n 1.000 kilometer lang dat recht op de Nederlandse kust afkwam.
Aan het eind van de middag gingen telegrammen uit, en in het weerbericht van 6 uur hoorde iedere radioluisteraar dat de regio's Rotterdam, Willemstad en Bergen op Zoom waren gewaarschuwd voor 'gevaarlijk hoog water'. Het was de zwaarste term die de procedure toen kende. Meteoroloog Klaas Postma zei later dat hij liever 'zeer gevaarlijk hoog water' had geschreven, maar die term bestond niet.
Daarna liep het mis op een punt dat nu vreemd klinkt. Om middernacht sloten de twee Hilversumse radiozenders, zoals elke nacht, af met het Wilhelmus. Pogingen van Postma en zijn collega Herman Bijvoet om een zender bij uitzondering in de lucht te houden, lukten niet. Ook de bemande telefooncentrales gingen 's avonds dicht. Veel mensen in het rampgebied hebben de waarschuwing nooit gehoord, of niet begrepen wat die betekende.
Waarom het water zo hoog kwam
Een storm alleen maakt nog geen ramp. Het gevaar zit in de combinatie met het getij. Bij springtij, rond nieuwe en volle maan, is het verschil tussen eb en vloed het grootst. Wordt het water op dat moment ook nog door de wind opgestuwd, dan telt het een bij het ander op.
In de nacht van 31 januari gebeurde precies dat. Bij Vlissingen werd om 03.24 uur een waterstand van 4,55 meter boven NAP gemeten, bij Hoek van Holland 3,85 meter. Op de kop van Schouwen-Duiveland kwam het water hoger dan waar ook langs de kust. De storm hield bovendien lang aan: in het zuidwesten gaven de windmeters volgens het KNMI zo'n 20 uur achtereen windkracht 9 of meer aan.
Het had nog erger kunnen zijn. Het KNMI wijst erop dat de springvloed van 1 februari tot de lage springvloeden hoorde. Twee weken later was het getij van nature hoger geweest. Had dezelfde storm op 15 februari gewoed, dan was het water nog ongeveer 40 centimeter hoger gekomen.
Tussen vier en zes uur 's nachts
De dijken waren niet op zulke waterstanden berekend. Rijkswaterstaat schrijft dat veel dijken in Zuidwest-Nederland te laag en te zwak waren: de waterschappen hadden weinig onderhoud gedaan, en na 1945 kreeg het herstel van de oorlogsschade voorrang. Hoe dat dijkbeheer nu is geregeld, staat in het artikel over de waterschappen.
Tussen vier en zes uur 's ochtends braken op veel plaatsen de dijken door, vooral aan de noord- en oostkant van de Oosterschelde en langs de Grevelingen en het Hollandsch Diep. In Oude-Tonge en Nieuwe-Tonge op Goeree-Overflakkee stroomde het water zo snel binnen dat de dorpen binnen ongeveer een half uur 2 tot 3 meter onder water stonden. Bij het dorpje Duivenhoek probeerde René de Smit met anderen de dijk te houden. Hij werd meegesleurd en dagen later gevonden. Zijn horloge was stil blijven staan op 04.57 uur, vertelt het Watersnoodmuseum.
In Zuid-Holland scheelde het weinig. Bij Nieuwerkerk aan den IJssel sloeg om half zes een gat van 15 meter in de Schielands Hoge Zeedijk. Op last van de burgemeester werd een binnenschip dwars voor het gat gevaren. Dat dichtte de opening voldoende. Was de dijk daar bezweken, dan was een groot deel van Zuid-Holland overstroomd, een van de laagste en dichtstbevolkte delen van het land.
De tweede vloed op zondagmiddag
Wie de nacht op zolder of op het dak had overleefd, was nog niet veilig. Zondagmiddag kwam het volgende hoogwater, opnieuw opgestuwd door de wind. In de polders steeg het water hoger dan 's nachts. Huizen die de eerste vloed hadden doorstaan, stortten in door de sterke stroming, met de bewoners erop. Volgens Rijkswaterstaat maakte die tweede vloedgolf nog meer slachtoffers dan de eerste.
Op 8 februari hield Nederland een dag van nationale rouw. De inzamelingsactie onder het motto 'Beurzen open, dijken dicht' bracht bijna 138 miljoen gulden op voor het Rampenfonds.
Radioamateurs en drinkwater per schip
Hulp van buiten kwam de eerste dag nauwelijks op gang, omdat niemand overzag hoe groot de ramp was. Telefoon- en telegraaflijnen lagen plat. Enkele tientallen zendamateurs zetten binnen een paar uur een noodnet op, en hielden dat tien dagen en nachten in de lucht. In Zierikzee zorgde radiotechnicus Peter Hossfeld ervoor dat Schouwen-Duiveland contact kreeg met de buitenwereld.
Ook drinkwater werd een probleem. Pompinstallaties waren ondergelopen en reservoirs verzilt door het zeewater. Tientallen schepen brachten schoon water uit Rotterdam naar het rampgebied. De foto bovenaan is gemaakt op 25 februari 1953, ruim drie weken na de ramp: de Korte Nobelstraat in Zierikzee stond toen nog steeds onder water.
Getallen die niet helemaal sluiten
Het getal 1.836 is minder exact dan het lijkt. Het Rode Kruis hield tot eind september 1953 de slachtoffers bij en kwam in zijn laatste lijst op 1.795 namen, onder wie 97 vermisten of niet-geïdentificeerden. Het CBS publiceerde in 1954 het getal 1.835; de basisgegevens daarvan zijn verdwenen. Het KNMI houdt 1.836 aan. Het verschil van één wordt wel verklaard door een baby die op zaterdag was geboren en nog niet was aangegeven toen moeder en kind verdronken.
Hetzelfde geldt voor de omvang. Rijkswaterstaat spreekt van dijkdoorbraken op meer dan 150 plaatsen en ruim 150.000 hectare overstroomd land. Het KNMI noemt zeker 90 plaatsen en circa 200.000 hectare. Het Watersnoodmuseum telt 96 grote en bijna 400 kleine bressen. Het verschil hangt waarschijnlijk af van wat als doorbraak wordt meegeteld; de bronnen lichten dat niet toe.
De slachtoffers vielen zeer ongelijk. In Oude-Tonge kwamen 305 mensen om, bijna 10% van de inwoners; in Nieuwerkerk op Duiveland 288, ruim 15%. In Ooltgensplaat, een paar kilometer van Oude-Tonge, vielen 2 doden. Als verklaringen worden de richting van de stroming, hoogteverschillen in de polder, de kwaliteit van binnendijken en de slechte staat van veel arbeiderswoningen genoemd.
Het plan dat al in de kast lag
Twee dagen voor de ramp was een rapport verschenen van de Stormvloedcommissie, met Rijkswaterstaat-ingenieur Johan van Veen als drijvende kracht. Het adviseerde dammen tussen de Zuid-Hollandse en Zeeuwse eilanden. Na de ramp ging het snel. Op 21 februari 1953, twintig dagen na de rampnacht, installeerde minister Algera de Deltacommissie, met Van Veen als secretaris. Binnen een jaar begon de bouw van de stormvloedkering in de Hollandse IJssel, de rivier waarlangs de dijk bij Nieuwerkerk aan den IJssel bijna was bezweken.
De gaten in de dijken waren binnen driekwart jaar gedicht, met duizenden arbeiders en meer dan 4.000 militairen. Het laatste gat, bij Ouwerkerk, werd gesloten met vier grote betonnen caissons. Daarin is sinds 2001 het Watersnoodmuseum gevestigd. Wat er daarna in Zeeland en Zuid-Holland is gebouwd en hoe die werken nu functioneren, staat in de Deltawerken.
