EditieNº MMXXVI · 2026
Onafhankelijke uitgavevrijdag 25 september 2026

Magazine over water: in huis, van bron tot kraan, wateroverlast, waterbeheer en watersport
Watermanagement

De Deltawerken: waarom ze er kwamen en wat ze vandaag nog doen

Dertien dammen, sluizen en stormvloedkeringen maakten de Zeeuwse en Zuid-Hollandse kust 620 kilometer korter. Hoe ze werken en wanneer ze sluiten.

Luchtfoto van het eiland Neeltje Jans met windturbines, havens en natuurgebied, met op de achtergrond de rij pijlers van de Oosterscheldekering die over het water naar de overkant loopt
Foto: Luka Peternel — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

De Deltawerken zijn na de watersnoodramp van 1953 gebouwd om Zeeland, het zuiden van Zuid-Holland en West-Brabant te beschermen tegen hoogwater vanuit zee. In plaats van honderden kilometers dijk te verhogen, sloot Rijkswaterstaat zeearmen af met dammen en beweegbare stormvloedkeringen. Zo werd een grillige kustlijn van 700 kilometer teruggebracht tot ongeveer 80 kilometer. Het systeem telt vijf stormvloedkeringen, twee sluizen en zes dammen. De meeste keringen staan het grootste deel van het jaar open en sluiten alleen bij extreem hoog water.

Liever de zee buitensluiten dan elke dijk verhogen

Na de ramp stond de Deltacommissie voor een keuze. Ze kon ruim 1.000 kilometer dijk langs de Zeeuwse en Zuid-Hollandse wateren verhogen en versterken. Of ze kon de zeegaten zelf afsluiten, zodat de dijken erachter geen zeedijken meer waren. Eén voorwaarde lag vast: de Westerschelde en de Nieuwe Waterweg moesten open blijven voor de havens van Antwerpen, Gent en Rotterdam.

De commissie koos voor afsluiten. Tussen mei 1953 en oktober 1955 bracht ze vijf adviezen uit, met als kern het dichtmaken van het Haringvliet, het Brouwershavense Gat, de Oosterschelde en het Veerse Gat, aangevuld met dammen verder landinwaarts. Ze schatte dat het werk 25 jaar zou duren en 1,5 tot 2 miljard gulden zou kosten. In 1958 werd de Deltawet aangenomen.

Een bijkomend voordeel woog mee. Afgesloten zeearmen zouden zoet worden, wat verzilting van landbouwgrond tegengaat en de land- en tuinbouw water gaf. De visserij verloor erbij; die tegenstelling zou later bij de Oosterschelde de doorslag geven. Hoe de ramp zelf verliep, staat in de watersnoodramp van 1953.

Eerst de Hollandse IJssel

Het eerste werk was al in aanbouw voordat de wet er was. Binnen een jaar na de ramp begon de bouw van de stormvloedkering in de Hollandse IJssel bij Krimpen aan den IJssel, in 1958 opgeleverd. Ze beschermt het laagstgelegen deel van Nederland, 6,76 meter onder NAP. Twee stalen schuiven van ruim 80 meter breed hangen tussen vier torens. Bij een verwachte waterstand van 2,25 meter boven NAP gaan ze omlaag. Volgens Rijkswaterstaat sluit deze kering nog zo'n vijf keer per jaar.

Van de Zandkreek tot de Brouwersdam

Daarna volgden de dammen van het zogeheten Drie Eilandenplan in de Zandkreek en het Veerse Gat, bedoeld om ervaring op te doen. Vervolgens de Grevelingendam, de Volkerakdam, de Haringvlietdam met zijn spuisluizen (1970) en de Brouwersdam (1971). Voor die laatste twee werden met een kabelbaan betonblokken in de stroomgeul gestort. Bij het Haringvliet waren dat er volgens Rijkswaterstaat 93.000.

De Oosterscheldekering volgde in 1986. Tussen de eerste schop in 1954 en de oplevering van de Maeslantkering en de Hartelkering bij Rotterdam in 1997 lagen 43 jaar. Rijkswaterstaat telt in totaal dertien Deltawerken.

De Oosterschelde bleef open

Oorspronkelijk zou ook de Oosterschelde een dichte dam krijgen. Na protesten van vissers en natuurbeschermers werd gekozen voor een halfopen kering. Daardoor heeft de Oosterschelde nog eb en vloed en blijft het water zout.

De kering ligt tussen Schouwen-Duiveland en Noord-Beveland en werd gebouwd tussen 1976 en 1986. Rijkswaterstaat noemt een lengte van 9 kilometer. In de drie stroomgeulen staan 65 betonnen pijlers met daartussen 62 stalen schuiven. De foto bovenaan toont Neeltje Jans, een van de werkeilanden uit de bouwtijd. Daar staat ook het Topshuis, van waaruit de kering wordt bediend.

De schuiven staan bijna altijd open. Bij een verwachte waterstand van 3 meter boven NAP gaan ze met één druk op de knop omlaag. Het sluiten duurt ongeveer 75 minuten, zodat stroming en golven niet te sterk worden. Gemiddeld gebeurt dat volgens Rijkswaterstaat één keer per jaar; soms blijft de kering twee of drie jaar achter elkaar open, afgezien van tests.

Deuren van 210 meter in de Nieuwe Waterweg

Rotterdam moest bereikbaar blijven voor zeeschepen, en daarom lag de Nieuwe Waterweg lange tijd buiten het plan. Pas eind jaren tachtig werd besloten tot een beweegbare kering. De Maeslantkering bij Hoek van Holland werd gebouwd tussen 1991 en 1997 en vormt samen met de Hartelkering en een verbrede dijk bij Rozenburg de Europoortkering.

De kering heeft twee holle deuren van 210 meter breed en 22 meter hoog. In rust liggen ze in droogdokken langs de oevers. Bij sluiting lopen de dokken vol, gaan de deuren drijven en draaien ze de vaarweg op. Daarna lopen ze zelf vol water en zakken ze naar de bodem. De kering sluit volledig automatisch als het water bij Rotterdam 3 meter boven NAP dreigt te komen.

Dat gebeurde voor het eerst op 21 december 2023. Die dag waren alle vijf stormvloedkeringen van Rijkswaterstaat tegelijk dicht: de Hollandsche IJsselkering, de Maeslantkering, de Hartelkering, de Oosterscheldekering en de Ramspolkering. Om zeker te weten dat de kering werkt, sluit ze elk jaar in september voor een proef, voordat op 1 oktober het stormseizoen begint.

Wat de werken dagelijks doen

De meeste aandacht gaat naar stormen, maar een deel van de Deltawerken is elke dag aan het werk. De Haringvlietsluizen, bijgenaamd de 'Kraan van Europa', regelen de afvoer van Rijn en Maas naar zee. Volgens Rijkswaterstaat gaat bij hoge rivierafvoeren tot 70% van dat water via het Haringvliet naar zee; de rest stroomt door de Nieuwe Waterweg. Hoe open de 17 spuiopeningen staan, hangt af van wat er bij Lobith en Borgharen het land binnenkomt.

Sinds 2018 zet Rijkswaterstaat de sluizen bij vloed op een kier. Zo kunnen trekvissen weer vanuit zee de rivieren op, en ontstaat een geleidelijker overgang van zout naar zoet water. Dat raakt aan een bekende keerzijde van de afsluitingen: afgedamde zeearmen verloren hun getij, vissoorten konden de rivieren niet meer bereiken, en in het stilstaande water kregen blauwalgen bij warm weer de kans.

De zoetwatervoorraden achter de dammen zijn tegelijk van belang voor de landbouw in droge zomers. Daarover meer in droogte en verzilting.

Na de Deltawerken: normen tot 2050

Met de Deltawerken was het werk niet af. Zonder dijken, duinen en keringen zou volgens het Deltaprogramma 55% van Nederland regelmatig onder water staan, het gebied waar zo'n 11 miljoen mensen wonen en ongeveer 67% van het nationaal product wordt verdiend. Nederland heeft in totaal ruim 3.700 kilometer waterkeringen.

Sinds 2017 geldt voor elk stuk primaire kering een eigen norm: een maximaal toelaatbare kans op een overstroming, afgeleid van de gevolgen in slachtoffers en schade achter die dijk. In het Hoogwaterbeschermingsprogramma werken de 21 waterschappen en Rijkswaterstaat samen om alle primaire keringen uiterlijk in 2050 aan die normen te laten voldoen. Het gaat om bijna 100 projecten.

De Deltawerken zelf zijn ontworpen voor de zeespiegel van hun tijd. Ze worden ouder, terwijl de zee stijgt. Hoe Nederland zich op een hogere zeespiegel voorbereidt, staat in zeespiegelstijging in Nederland.