EditieNº MMXXVI · 2026
Onafhankelijke uitgavevrijdag 25 september 2026

Magazine over water: in huis, van bron tot kraan, wateroverlast, waterbeheer en watersport
Watermanagement

De Afsluitdijk en de Zuiderzeewerken: van binnenzee tot IJsselmeer en polders

Waarom de Zuiderzee in 1932 werd afgesloten, hoe de Afsluitdijk werd gebouwd, welke polders volgden en waarom de dijk nu hoger wordt en pompen krijgt.

Zwart-witfoto uit 1932 van twee drijvende kranen met grijpers die materiaal storten in een smalle opening in een dijk in aanbouw, omringd door schepen en toeschouwers
Foto: Onbekend (Zuiderzeecollectie) — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

De Afsluitdijk is een 32 kilometer lange dijk tussen Noord-Holland en Friesland die sinds 1932 de vroegere Zuiderzee scheidt van de Waddenzee. Hij is het bekendste onderdeel van de Zuiderzeewerken, het plan van ingenieur Cornelis Lely om de kust te verkorten en land te winnen. Achter de dijk ontstond het IJsselmeer, een zoetwatermeer, en werden vier grote polders drooggemalen. Sinds 2019 wordt de dijk versterkt, omdat de stijgende zeespiegel het lastiger maakt het water uit het IJsselmeer kwijt te raken.

De laatste opening, mei 1932

Op zaterdag 28 mei 1932, kort na één uur 's middags, werd De Vlieter gesloten, het laatste gat in de nieuwe dijk. De foto bovenaan is gemaakt tijdens het dichten van dat sluitgat. Tussen de twee kranen is nog een smalle doorgang zichtbaar waar het water doorheen stroomt; aan weerszijden staan bouwvakkers en toeschouwers op de dijk en de pontons.

Daarmee was de Zuiderzee een binnenmeer geworden. Vier maanden later, op 20 september 1932, werd de naam officieel veranderd: het deel binnen de dijk heette voortaan IJsselmeer, het deel erbuiten Waddenzee. Op 25 september 1933 ging de weg over de dijk open voor verkeer. De bouw had ten minste veertien mensen het leven gekost, door verdrinking en andere ongelukken.

Op de plek van de sluiting staat nu het Vlietermonument, een uitkijktoren van architect Willem Dudok. Rijkswaterstaat restaureert het monument en breidt het uit.

250 jaar plannen, één storm

Het idee was oud. Al in 1667 stelde waterbouwkundige Hendrik Stevin voor de Zuiderzee met dijken van de Noordzee af te sluiten, om 'het gewelt en vergif der Noortzee' te verdrijven. De techniek was er toen niet klaar voor. In de negentiende eeuw volgde een reeks plannen, vaak alleen voor het zuidelijke deel, die allemaal strandden op geld of op de afvoer van de IJssel.

In 1886 richtten enkele notabelen de Zuiderzeevereniging op. De jonge ingenieur Cornelis Lely onderzocht voor haar de bodem en de stromingen, en tekende in 1891 het plan dat grotendeels is uitgevoerd: een afsluitdijk van Noord-Holland via Wieringen naar Friesland, en polders op de kleigronden langs de randen. Het diepe, zandige midden liet hij water, zodat de IJssel een groot meer had om in uit te monden. De Afsluitdijk begrootte Lely op 40 miljoen gulden.

Als minister van Waterstaat kreeg Lely het plan in 1913 in het regeringsprogramma, maar de uitvoering bleef liggen. Pas na de stormvloed van 13 en 14 januari 1916, toen rond de Zuiderzee op tientallen plaatsen dijken doorbraken en volgens het Watersnoodmuseum meer dan vijftig mensen verdronken, kwam er politieke steun. Ook de voedseltekorten van de Eerste Wereldoorlog speelden mee. In juni 1918 werd de Zuiderzeewet aangenomen.

Een dijk van keileem en wilgentenen

Eerst werd in 1920 de Amsteldiepdijk aangelegd, 2,5 kilometer van Noord-Holland naar het toenmalige eiland Wieringen. De eigenlijke Afsluitdijk volgde vanaf januari 1927. Er werd gewerkt vanaf vier plekken tegelijk: de twee oevers en de werkeilanden Breezand en Kornwerderzand. De dijk rust op zinkstukken van gevlochten wilgentenen, die met stenen werden afgezonken. Voor de kern werd keileem gebruikt, een taaie grondsoort uit de voorlaatste ijstijd die in de buurt kon worden opgebaggerd.

De precieze ligging kwam van een staatscommissie onder leiding van natuurkundige Hendrik Lorentz. Die berekende dat een dijk naar Piaam, zoals Lely had getekend, het getij langs de Friese kust te sterk zou versterken. De dijk kwam daarom iets noordelijker uit, bij Zurich.

De hele dijk is 32,5 kilometer lang, waarvan 30 kilometer water keert. Aan beide uiteinden liggen schut- en spuisluizen: de Stevinsluizen bij Den Oever en de Lorentzsluizen bij Kornwerderzand. Via 25 spuikokers stroomt water uit het IJsselmeer bij eb vanzelf naar de Waddenzee. In februari 1953, toen in Zeeland en Zuid-Holland de dijken bezweken, hield de Afsluitdijk stand en bleven overstromingen rond het IJsselmeer uit.

Nieuw land, en een polder die er nooit kwam

Van de vijf polders die Lely tekende, zijn er vier aangelegd. De Wieringermeer ging zelfs vóór de Afsluitdijk: de polder viel op 21 augustus 1930 droog, met een dijk die nog tegen de open Zuiderzee moest keren. Daarna volgden de Noordoostpolder, in 1942 drooggemalen, en Oostelijk en Zuidelijk Flevoland, aangelegd tussen 1950 en 1968. Door de Noordoostpolder werden Urk en Schokland deel van het vasteland.

De Noordoostpolder leverde een les op. Hij werd direct tegen het oude land aangelegd, zonder randmeer. Op het oude land daalde daardoor het grondwater, met onvoorziene problemen. Flevoland kreeg daarom randmeren tussen polder en vasteland.

Die ervaring maakte Rijkswaterstaat voorzichtig met de vijfde polder, de Markerwaard. Er werd gevreesd dat die het grondwater tot in Amsterdam zou verlagen, met gevolgen voor de houten funderingspalen van de stad; waarom droogstand zo schadelijk is, staat in grondwater en funderingen. Begin jaren negentig werd besloten het Markermeer niet droog te leggen. Sinds 2016 worden er de Marker Wadden aangelegd, eilanden voor natuur.

Het IJsselmeer werd intussen een belangrijke zoetwatervoorraad. In droge perioden wordt er water uit ingelaten voor de landbouw, en PWN maakt er drinkwater van, zoals beschreven in drinkwater uit Rijn en Maas.

Negentig jaar later: hoger, en met pompen

Sinds april 2019 wordt de Afsluitdijk versterkt. Hij is aan de Waddenzeekant ongeveer 2 meter verhoogd en kreeg over zo'n 700.000 vierkante meter een nieuwe bekleding van betonblokken. Het principe is veranderd: bij extreem weer mag er zeewater over de dijk slaan, zonder dat de dijk daaronder bezwijkt.

De grootste verandering zit in de waterafvoer. Spuien, het water onder vrij verval laten weglopen, kan alleen als de Waddenzee lager staat dan het IJsselmeer. Door de stijgende zeespiegel worden die momenten korter. Bij een harde noordwestenwind wordt de Waddenzee bovendien tegen de dijk geblazen en kan er soms helemaal niet worden gespuid. Tegelijk voeren de IJssel en de omliggende gebieden meer water aan.

Bij Den Oever worden daarom twee extra spuisluizen en een gemaal gebouwd. Het gemaal heeft zes grote pompen met samen een capaciteit van 275 kubieke meter per seconde, volgens de projectorganisatie een van de grootste gemalen van Europa. Het uitgangspunt is 'spuien als het kan, pompen als het moet'; de stroom komt van zonnepanelen op en rond de dijk. De oplevering van spuisluizen en gemaal is voorzien voor eind 2026. Bij Kornwerderzand komt daarnaast een vismigratierivier dwars door de dijk, zodat trekvissen weer tussen zout en zoet water kunnen zwemmen.