EditieNº MMXXVI · 2026
Onafhankelijke uitgavevrijdag 25 september 2026

Magazine over water: in huis, van bron tot kraan, wateroverlast, waterbeheer en watersport
Watermanagement

Ruimte voor de Rivier: waarom Nederland dijken verlegde in plaats van ophoogde

Na de bijna-overstromingen van 1993 en 1995 kregen de rivieren op 34 plekken meer ruimte. Wat er bij Nijmegen en in de Noordwaard gebeurde, en wat nu volgt.

Brede rivierarm met zandige oevers en een kronkelend fietspad op de voorgrond, een lange lage voetbrug over het water en in de verte twee boogbruggen en een stad met een kerktoren
Foto: Havang(nl) — CC0 · Wikimedia Commons

Ruimte voor de Rivier was een programma van het Rijk en de regio dat tussen 2006 en 2019 op 34 plekken langs de IJssel, de Waal, de Nederrijn en de Lek de rivier meer ruimte gaf, in plaats van alleen de dijken hoger te maken. Dijken werden landinwaarts verlegd, uiterwaarden afgegraven en nevengeulen aangelegd. Zo kan de Rijn bij Lobith 16.000 kubieke meter water per seconde veilig afvoeren. Het kostte volgens Rijkswaterstaat € 2,3 miljard. Sinds 2025 loopt een vervolg, Ruimte voor de Rivier 2.0, dat ook over te weinig water gaat.

Twee winters die het beleid omgooiden

Lange tijd was het antwoord op hoog water in de rivieren eenvoudig: de dijk werd hoger en breder. In december 1993 bleek dat niet genoeg. De Maas trad in Limburg buiten haar oevers. Volgens Rijkswaterstaat stond ongeveer 8% van de provincie onder water, zo'n 18.000 hectare, en moesten 12.000 mensen weg. Onbedijkte dorpen als Itteren en Borgharen liepen onder.

Een jaar later ging het bijna mis in het hele rivierengebied. Eind januari 1995 stonden de Rijn, de Waal, de IJssel en de Maas zo hoog dat werd gevreesd dat dijken zouden bezwijken. Uit voorzorg werden 250.000 mensen en 1 miljoen dieren geëvacueerd, een van de grootste evacuaties in de recente geschiedenis. De dijken hielden het, maar het besef bleef hangen: bij de volgende keer kon het anders aflopen.

Eerst werden zwakke dijken met het Deltaplan Grote Rivieren versneld versterkt. Daarna volgde een omslag in het denken. In 2000 werd 'ruimte voor de rivier' het uitgangspunt voor de hoogwaterbescherming in het rivierengebied. De planologische kernbeslissing werd in 2006 door het parlement aangenomen en trad op 26 januari 2007 in werking.

Van dijkverlegging tot ontpoldering

Elke plek vroeg om een eigen oplossing. Rijkswaterstaat onderscheidt de volgende maatregelen.

Dijkverlegging: de dijk gaat landinwaarts, waardoor de uiterwaard breder wordt. Hoogwatergeul: een extra geul tussen twee nieuwe dijken, die alleen bij hoog water meestroomt. Uiterwaardvergraving: uiterwaarden die in de loop van eeuwen door aanslibbing hoger zijn komen te liggen, worden weer afgegraven. Zomerbedverlaging: de bodem van de vaste stroomgeul gaat dieper. Verder werden kribben verlaagd, zomerkades weggehaald en obstakels uit het stroomgebied verwijderd. De meest ingrijpende maatregel was ontpolderen: een bedijkte polder teruggeven aan de rivier.

In het Maasdal liep een apart programma, de Maaswerken, dat in 2005 begon. Daar werd een groot deel van de kosten betaald uit de winning van zand en grind. Rijkswaterstaat schat de bijdrage van private partijen op € 1 miljard, naast € 530 miljoen van de overheid. In de Grensmaas werd het doel in 2017 gehaald; de grindwinning loopt er door tot en met 2027.

Nijmegen: een geul door een dorp

Het bekendste project ligt bij Nijmegen, en de foto bovenaan is daar gemaakt. De Waal maakt er een scherpe bocht en was op die plek smal. Bij hoogwater werkte dat als een flessenhals. De dijk bij Lent werd daarom landinwaarts verlegd, en in de vrijgekomen ruimte werd tussen 2013 en 2015 een nevengeul gegraven van ongeveer 4 kilometer: de Spiegelwaal. Tussen de oude rivier en de nieuwe geul ontstond een langgerekt eiland, Veur-Lent.

Bij hoogwater ligt de waterstand van de Waal bij Nijmegen daardoor maximaal 34 centimeter lager, zei Hans Brouwer, die bij het programma een derde van de projecten aanstuurde, in een podcast van Rijkswaterstaat. Aan de oostkant ligt een drempel met tunneltjes op verschillende hoogtes. Pas als het water bij Lobith hoger staat dan 12,65 meter boven NAP, stroomt de rivier over die drempel heen. Geul en bruggen kostten samen ongeveer € 350 miljoen. Er liggen nu vijf bruggen over de Spiegelwaal, waaronder de verlengde Waalbrug en spoorbrug.

De prijs werd niet alleen in geld betaald. Op de plek van de geul stonden zo'n 50 huizen, die werden gesloopt. Volgens Brouwer leidde dat tot flink verzet. Zijn les: vroeg beginnen, belangen serieus nemen en bewoners een nieuw perspectief bieden.

Intussen is de Spiegelwaal een recreatiegebied met een strandje, en omdat er geen beroepsvaart komt, is het water in trek bij kanovaarders, roeiers en zeilers. Er is ook een keerzijde. Bij laag water kan de inlaat droogvallen, en in de zomer van 2018 verscheen er voor het eerst blauwalg.

Boerderijen op terpen, een polder die mag overstromen

Elders ging het om boeren in plaats van stadsbewoners. In de Noordwaard, in de Biesbosch, begon Rijkswaterstaat in 2009 met de ontpoldering van 4.450 hectare. De dijken werden deels afgegraven, zodat water uit de Merwede bij hoog water het gebied in kan stromen. Alle huizen en boerderijen staan er nu op terpen. Volgens Brouwer beschermt de Noordwaard daarmee Gorinchem, zo'n 30 kilometer stroomopwaarts. Hij beschreef ook wat ontpolderen voor een boer betekent: een boerderij in een overstroombaar gebied is minder waard dan een bedijkte, en in de jaren van onzekerheid wil niemand hem kopen.

In de Overdiepse Polder aan de Bergsche Maas werden tussen 2010 en 2015 aan de zuidrand 9 nieuwe terpen aangelegd, waarop de bedrijfsgebouwen kwamen te staan. De polder van 550 hectare kan nu bij hoogwater onderlopen, terwijl het boerenbedrijf doorgaat.

Bij Westervoort, waar de IJssel van de Nederrijn aftakt, ging het om de verdeling van het water. Al sinds de achttiende eeuw geldt de afspraak dat een derde van het Rijnwater uit het Pannerdensch Kanaal naar de IJssel gaat. In de Hondsbroeksche Pleij kwam een hoogwatergeul met een betonnen constructie van 150 meter, afgesloten met schuiven, om die verdeling ook bij hoogwater te kunnen regelen. Het programma werd begin 2019 afgerond met de opening van het Reevediep bij Kampen, een hoogwatergeul van de IJssel naar het Drontermeer die in gewone tijden dienst doet als vaarroute voor de recreatievaart. Deskundigen waren het er in 2024 over eens dat de maatregelen werken en hun geld waard waren.

Het vervolg: te veel én te weinig water

In april 2025 begon Ruimte voor de Rivier 2.0, als uitwerking van het programma Integraal Riviermanagement. Het richt zich op de Rijntakken en de Maas, met 2050 als eerste horizon en een doorkijk naar 2100. Er moet opnieuw ruimte komen voor hogere afvoeren, maar het programma draait ook om een probleem dat bij het eerste programma nauwelijks speelde: de rivierbodem slijt uit.

Door hoge stroomsnelheden spoelt de rivier zand en grind uit haar bedding. De rivier komt daardoor steeds dieper in het landschap te liggen. Bij laag water daalt dan ook het grondwater in de omgeving, en uiterwaarden overstromen minder vaak en verdrogen. Rijkswaterstaat noemt gevolgen voor scheepvaart, natuur, landbouw en funderingen; hoe een dalend grondwaterpeil houten palen aantast, staat in grondwater en funderingen. Tijdens het hoogwater van de zomer van 2021 ontstonden in de Maas erosiekuilen tot 15 meter diep. Bovendien slijt de Waal sneller uit dan het Pannerdensch Kanaal. Daardoor gaat er steeds meer water naar de Waal en minder naar de IJssel en het IJsselmeer, de grootste zoetwatervoorraad van het land. Bij droogte telt elke kubieke meter; zie droogte en verzilting.

In juli 2026 besloot het kabinet maatregelen te nemen om de rivierbodem te stabiliseren. Het tweede spoor gaat over ruimte: welke plekken langs de rivieren vrij moeten blijven voor verruiming na 2050. De onderzoekers kijken daarvoor naar de afvoeren rond 2100 en later. Het kabinet besluit daarover naar verwachting in december 2026. Volgens het programma betekent zo'n reservering niet dat er nu grond wordt gekocht of gegraven. Bewoners kunnen blijven wonen en een dakkapel of uitbouw blijft meestal mogelijk; nieuwe woonwijken of grote bedrijfsuitbreidingen worden wel beperkt. Uiterlijk in 2029 moet het volledige pakket maatregelen vastliggen.